Waar kunnen we je mee helpen?
Waar kunnen we je mee helpen?

Waar kunnen we je mee helpen?

Mijn account

Log nu in en ontdek alles wat Tennisleraren te bieden heeft.

Inloggen

Lid worden

Ontdek nu de vele voordelen als lid van VNT!

Ontdek

IN DE SCHIJNWERPERS: Hans van Stralen

‘Uiteindelijk ben ik ermee gestopt om de KNLTB te benaderen, want als je merkt dat het niet aankomt, dan demotiveert dat natuurlijk ontzettend.’(Quote Hans van Stralen)

‘Het is maar in een notendop hoor, wat ik heb verteld’, zegt Hans van Stralen lachend, als we na ruim een uur telefoneren afscheid nemen. Van Stralen (1949) is misschien wel één van de oudste leden van de VNT en hij is ook al ruim veertig jaar lid. Wat aan de telefoon meteen opvalt: Van Stralen is een èchte verteller. Maar ook: hij heeft zijn vak altijd voor tweehonderd procent uitgeoefend. En dat doet hij nog steeds, al is het wel op een lager pitje. Van Stralen geeft nog een paar uur training in de hal, aan mensen die al jaren les van hem krijgen maar geen lid zijn van een tennisvereniging. Van Stralen is zoals hij het zelf omschrijft weer bezig met zijn hobby. We spreken over zijn carrièreverloop en over veranderingen in het vak. Hoewel Van Stralen niet per sé een man van ‘die goeie oude tijd’ is, waren er vroeger volgens hem toch wel een aantal dingen beter.

Wanneer ben je tennistrainer geworden en hoe ging dat? “Dat is bij mij wel op een aparte manier gegaan. Ik was vijftien jaar, en tenniste al ongeveer vier jaar bij TV de Racketeers op tennispark De Enk, in Rotterdam Zuid. Ik sloeg al een aardig balletje. Op een gegeven moment werd er bij De Enk, destijds eigendom van de gemeente, een directeur voor sport en recreatie aangesteld. Hij vroeg me of ik les wilde geven. Dat wilde ik wel. Het was aan beginners, een soort ‘maak kennis met tennis’.”

Jij had dus zelf al wel een ontwikkelde techniek? Jouw voorbeeldvaardigheid was goed genoeg? “Ja, want ik had al een aantal jaren privéles. Technisch zag het er dus al best wel aardig uit. Zo is het bij mij in de eerste plaats begonnen. Later kreeg het lesgeven een soort vervolg in Suriname, tijdens mijn militaire dienstplicht, waarvoor ik anderhalf jaar werd uitgezonden. Ik was toen negentien. Ik werd barkeeper in de officierssociëteit van de troepenmacht in Suriname, afgekort de TRIS. Dat was een club opgericht door de officieren van de troepenmacht, maar er waren ook veel burgers lid, wel de elite van Suriname. De gouveneur van Suriname, politiefunctionarissen, ministers en directieleden van grote bedrijven bijvoorbeeld. Bij die club was een buitenbar met een tennisbaan waar ik wel eens stond te trainen met de sergeant majoor van sport, die ook een aardig balletje sloeg. En op een gegeven moment vroegen de mensen die me zagen spelen: ‘Kan ik een lesje van je krijgen?’ Dat heb ik gedaan. In mijn vrije tijd ben ik daar heel veel tennislessen gaan geven, dat was in 1970. Ze betaalden me in dollars. Toen ik terug kwam in Nederland ben ik sporthalbeheerder geworden, want ik had veel affiniteit met sport en tegelijkertijd begon ik aan de K (Klassikaal) cursus en de I (Individueel) cursus. Terwijl ik nog bezig was met de I cursus adviseerde mijn eigen tennisleraar me om eens te gaan praten in de Hoeksche Waard, dat is onder Rotterdam, bij een vereniging die graag wilde dat ik bij hen ging lesgeven. Dat leek me natuurlijk hartstikke leuk en dat heb ik gedaan. Begin april 1973 ging ik aan de slag. Al snel klopten er andere verenigingen aan die óók vroegen of ik les wilde geven. Dat wilde ik wel, maar ik kon het niet alleen aan. Dus begon ik te werken met stagiaires van het CIOS. Dat ging uitstekend en zo is het gaan groeien.” Van Stralen lachend: “Tot op heden ben ik eigenlijk nog nooit de Hoeksche Waard uit geweest. Ik zit er dus al bijna zevenenveertig jaar!”

Toen je met de jongens en meisjes van het CIOS ging werken, startte je eigenlijk  een soort tennisschool? “Ja, vrij snel nadat ik was begonnen in 1973 kon ik het al een tennisschool gaan noemen. Ik deed ook selectiekinderen en in de winter gaf ik les in de hal. Het waren kinderen in de leeftijd van tien tot en met zeventien jaar. In de zomer trainden ze op hun eigen park. Dit concept is verder uitgebouwd. Ik deed dat samen met mijn collega Humbert Douglas uit Rotterdam, met wie ik uiteindelijk vijfentwintig jaar heb samengewerkt. We gingen ook naar het buitenland met de jeugdselectie. We zijn met de kinderen, het waren groepen van zestien, tot soms wel tweeëndertig spelers, in de leeftijden tot en met 10, 12, 14 en 17 jaar, in meer dan veertien landen geweest, waaronder de voormalige Oostbloklanden maar ook twee keer naar Curaçao.   Geweldig!”

Dus je zat óók in de prestatieve hoek met de jeugd? “Ja zeker! Ik vond het heel erg leuk en ik kreeg ook steeds meer aanmeldingen van spelers die bij me wilden trainen. Uiteindelijk hadden we een gezamenlijke selectie van bijna  tachtig kinderen. Zo is het in zeer grote lijnen verlopen.”

Weet je nog wanneer je lid bent geworden van de VNT? “Dat was volgens mij al in april 1973, meteen toen ik begon met lesgeven.”

Wat is jouw ervaring met de VNT als je terugkijkt? “Ik kan me herinneren dat ik in de eerste tien jaar regelmatig op bijeenkomsten en trainingen van de VNT ben geweest. Ik kan me bijvoorbeeld nog heel goed een clinic van een Amerikaan, een vertegenwoordiger van Prince, herinneren. Hij demonstreerde een ballenkanon. De hele dag was gevuld met oefeningen en spelletjes om te laten zien wat we met het kanon konden doen. Het was echt waanzinnig. En die man deed het ook met zoveel passie! Uiteindelijk heb ik zelf twee ballenkanonnen  aangeschaft. Later heb ik nog heel veel andere clinics gevolgd die door de VNT waren georganiseerd. Ik ben wel bijzonder weinig op VNT vergaderingen geweest omdat die vaak in het weekend waren en dan stond ik meestal op de baan. Ik draaide in een week soms wel zeventig uur! Om een voorbeeld geven van hoe gedreven ik was: op een gegeven moment gaven mijn ouders een feest met een diner omdat ze zestig jaar getrouwd waren. Maar ik was er niet bij. Familie en vrienden vroegen aan mijn ouders: ‘Waar is Hans?’ En dan zei mijn vader: ‘Hans is aan het werk. Die komt straks om elf uur.’ Ja, dat ben ik. Mijn vader was ook zelfstandig ondernemer, jaren lang had hij samen met mijn moeder een eigen bedrijf. Dus hij begreep me wel. Mijn ouders vonden het heel normaal. Zo hadden ze het me ook geleerd.”

Kun je aangeven wat je in de loop van de jaren veranderd vindt bij de VNT? “Dat vind ik best wel een moeilijke vraag. De VNT is zeker altijd meegegaan in de tijd. Al merkte ik wel toen alles steeds meer via de computer ging, ik toch een beetje het zicht op de VNT verloor, want ik zat niet zoveel achter de computer. Ik keek bijvoorbeeld heel weinig op de VNT site. Daar had ik gewoon de tijd niet voor.”

Als je kijkt naar het trainersvak, wat vind jij dan opvallende veranderingen? En wat vind je van die veranderingen? “Wat ik heel duidelijk zie is dat de positie van de trainer binnen verenigingen heel erg is veranderd. Vroeger was ik binnen een club leidend en adviserend. De clubs hadden ook ideeën maar dan zeiden ze wel vaak: ‘Hans, maak jij maar een plan.’ Nou dat was prima, dat deed ik. Dat ging goed. Ik dacht over allerlei vraagstukjes na. Zo zag het er in de eerste  twintig jaar ongeveer uit. Met de besturen had ik ook altijd prima contact. Later ging dat toch wel een beetje haperen. Naar mijn idee zaten er steeds vaker mensen in het bestuur met minder verstand van zaken. Vroeger zag je ook veel minder vaak wisselingen in het bestuur. De laatste vijftien jaar draaiden de zaken een beetje om. Toen werd mij verteld wat ik moest doen. De besturen gingen zich bijvoorbeeld bemoeien met de samenstelling van de competitieteams. Dan kwam het zoontje van de voorzitter in het eerste team en een ander jongetje in het tweede terwijl dat andere jongetje sterker was dan het zoontje van de voorzitter. Tegen dat soort zaken liep ik aan. Daar kan ik niet zo goed tegen. Nog een ander mooi voorbeeld: op een gegeven moment moest ik bij de voorzitter van de club komen en hij zei tegen mij: ‘Wij hebben besloten dat jij moet gaan lesgeven volgens de principes van Nick Bolletieri’. Ik vroeg: ‘Weet je wie Nick Bolletieri is?’ ‘Nou ja, we hebben het besproken in het bestuur’ zei hij, ‘Dus we willen dat je het zo gaat doen.’ Toen zei ik: ‘Oké als jij Nick Bolletieri kinderen voor mij hebt, dan wil ik dat best doen. Maar jij hebt die niet. Volgens mij heb jij je huiswerk niet goed gedaan en had je eerst eens moeten onderzoeken wie Nick Bolletieri is.’ Toen heb ik hem vervolgens verteld dat hij alleen maar les gaf aan de groten der aarde, de top en de subtop van de wereld. Natuurlijk ging ik niet volgens de ‘Nick Bolletieri methode’ lesgeven maar ondertussen bleef de voorzitter er maar over doorzeuren. Gelukkig stond er in mijn contract een bepaling dat ik het dienstverband eenzijdig kon opzeggen als dat nodig was. En dat heb ik gedaan. Ik zei: ‘Sorry, maar ik kom niet meer!’ Ik was gewoon weg. Ik gaf wel veertig uur tennistraining weg hè? Dat is niet niks! Dit soort zaken, die zie je de laatste jaren dus veel vaker gebeuren binnen clubs.”

Dus de besturen werden steeds eigenwijzer en mondiger en de mening van de deskundigen werd steeds meer in de wind geslagen…“Ja de eerste dertig jaar dat ik bezig was werd de kennis van ons, trainers, gebruikt en de laatste vijftien  jaar, globaal gezegd, gingen de besturen mij vertellen wat ik moest doen. Dat mag, als er goeie dingen bij zitten is dat prima. Maar die zitten er niet zo vaak tussen. De veranderde houding van de besturen, dat verschijnsel, heb ik dus wel als een groot nadeel ervaren. Het is er mijns inziens mede een oorzaak van geweest dat het ledenaantal binnen de clubs ging teruglopen. De vrijwilligers, de ouders die allerlei activiteiten ondernamen bijvoorbeeld, stopten er op een gegeven moment ook mee omdat ze veel te veel achter hun broek werden aangezeten. Ze vonden het niet meer leuk. Ik zag gewoon, dit gaat niet goed…Ik heb dit probleem ook een keer aangekaart bij de KNLTB. Maar volgens de KNLTB klopte mijn observatie niet. Tja, dan houdt het op.”

Als je kijkt naar de KNLTB van vroeger en nu, kun je dan opvallende veranderingen waarnemen? “Eigenlijk ben ik het op heel veel vlakken nooit zo eens geweest met de KNLTB. Ik bedoel het niet negatief hoor, het is een kwestie van visie. Ik heb bijvoorbeeld ooit voorgesteld om de competitieteams groter te maken, omdat je de laatste jaren ziet dat spelers heel makkelijk niet komen opdagen omdat ze plotseling iets anders hebben. Ineens staat een team dan op een zondag met maar twee man, omdat de andere twee aan het strand liggen. Daar gebeurde helemaal niets mee. Ook toen de recessie in het tennis zichtbaar werd heb ik een aantal suggesties gedaan. Ook dáár werd niets mee gedaan. Uiteindelijk ben ik ermee gestopt om de KNLTB te benaderen, want als je merkt dat het niet aankomt, dan demotiveert dat natuurlijk ontzettend.”

In het verleden heb jij dus je bijdrage willen leveren, daar heb je je best voor gedaan maar bij de KNLTB lieten ze het wapperen? “Klopt! Mijn collega Humbert Douglas had precies dezelfde ervaring met de KNLTB. Hij was nog veel rigoreuzer dan ik. Hij heeft gewoon zijn KNLTB lidmaatschap opgezegd. Dat zijn dus allemaal zaken die er naar mijn mening toch voor hebben gezorgd dat het tennis op zijn retour is gegaan, waarmee ik ook weer niet wil zeggen dat het alleen de schuld van de KNLTB is, er spelen natuurlijk meerdere factoren een rol. Op een gegeven moment las ik in de krant dat de KNLTB er naar streeft om binnen tien jaar weer een aantal spelers bij de top honderd te hebben. Ik dacht toen: ‘Oei, weet wel wat je zegt! Waar haal je die spelers en speelsters vandaan? Als je dat lukt, ben je een kei!’ Want ik voorspel je, dat gaat echt voorlopig niet meer gebeuren. Kijk eens naar waar de beste tennissers vandaan komen. Volgens mij niet meer uit West Europa. Die komen eerder uit het voormalig Oostblok, uit landen waar trainingen worden betaald door het Rijk en waar je door sport je familie kunt onderhouden, je kunt overleven.”

Als je kijkt naar je leerlingen van vroeger en naar je leerlingen van nu, welke veranderingen zie je dan? “Wat me opvalt: kinderen zijn vaak moe. Vroeger  organiseerde ik vaak een Coopertest en dat vonden de kinderen geweldig. Als er een tweede ronde kwam dan mochten de ouders ook meedoen. Ik heb de kinderen nog nooit zo hard zien lopen! Als je ze nu vraagt om vier rondjes om een tennisbaan te lopen, als warming-up, gaat dat nog net. Ze staan wel te geeuwen. En als je dan vraagt: ‘Wat heb je?’ Dan zeggen ze: ‘Ik ben moe!’ Volgens mij zitten ze te veel op hun telefoon, ook ´s avonds laat. Dan vraag ik me af, hoe wil je dan goed sporten? Kinderen vind ik ook erg vrijpostig geworden, als je het vergelijkt met vroeger. Ze mochten me vroeger altijd al bij mijn voornaam noemen, maar ze zeiden wel altijd ‘u’. Die kinderen snapten het dus. Als we met de kinderen naar het buitenland gingen dan kregen ze vooraf een brief met de regels waar ze zich aan moesten houden. Dat deden ze gewoon. We hadden nooit enig probleem! De ouders stonden er ook volledig achter. Nu zou ik er niet aan moeten denken om met tweeëndertig kinderen op stap te gaan! Een deel luistert slecht, is brutaal, gaat hun eigen gang, of is steeds met de telefoon in de weer.”

Je ziet dus een ontwikkeling gaande dat de kinderen minder gedisciplineerd zijn en moeilijker te handhaven. “Ja! Tegenwoordig willen ze wel sporten maar het moet vooral gezellig zijn.”

Als je dit gedrag, deze mentaliteit, terugbrengt naar het prestatieve tennis en het opleiden van echte toppers, dan zou je kunnen zeggen dat topsport voor de huidige generatie (steeds) moeilijk(er)is op te brengen… “Ja, inderdaad. Naar mijn idee krijgen kinderen van tegenwoordig een veel te vrije opvoeding. Ik heb een keer een kind uit de les naar huis gestuurd. Het was echt een stoorzendertje en de andere kinderen werden ook gek van hem. ´s Avonds belde ik zijn pa. Maar de jongen had niets aan zijn vader verteld. Maar pa was het er toch niet mee eens dat ik zijn zoon de les had uitgestuurd want hij had voor de les betaald.  ‘Mijn zoon krijgt thuis een vrije opvoeding.’ zei hij. Toen gaf ik terug: ‘In mijn les gelden mijn regels. En als hem dat niet bevalt, dan hoeft hij niet meer te komen en dan krijg je je geld terug.’ Ouders zijn dus ook veel losser geworden. Ze denken niet meer na. Het kwartje gaat pas vallen als je ze confronteert met hun eigen vreemde gedrag. Dertig jaar geleden was dit niet denkbaar. Ten minste, zo heb ik het ervaren.

En als we dan nog even terugkomen op het mentaal harder maken van kinderen, mijn hele carrière heb ik dat geprobeerd. Op de scholen gebeurt het ook al niet meer, dus deed ik het zelf. Later moeten die kids wel de maatschappij in, een job zoeken, en als je je dan vervolgens laat ondersneeuwen op een afdeling of in een team, dan ben je nergens.”

Half december spreek ik Van Stralen opnieuw. We zetten nog wat puntjes op de ‘i’. Hij is blij met hoe hij is neergezet, met wat we over hem kunnen lezen. “Ja, dat ben ik. Het komt allemaal misschien een beetje zwart wit over, maar ik ken nu eenmaal niet zoveel tinten grijs. Wat ik ook belangrijk vind is dat de trainer van nu ziet dat er vroeger ècht dingen anders gingen. En dat is gelukt.”

Actueel

  • Nieuwsbrief Tennisplayer Februari

    17/02/2021
  • Nieuwsbrief

    17/02/2021
  • Nieuwsbrief Tennisplayer januari

    07/01/2021
Meer nieuws
Copyright © 2019 - Vereniging Nederlandse Tennisleraren - Design & Realisatie: Webheads B.V.